Omgevingswet: drie ingrijpende veranderingen

De op handen zijnde Omgevingswet: het wordt de grootste wetswijziging genoemd sinds de invoering van de Grondwet in 1798. De operatie is zo groot, dat de implementatie vele malen moest worden uitgesteld. De meest recente aanname is dat de Omgevingswet in 2021 in werking treedt. Dat is nog ver weg, toch roept de Omgevingswet nu al vragen op bij bedrijven, terwijl ook overheden nog niet precies weten wat de gevolgen zullen zijn. BMD-specialisten Bas van Velthoven en Marcel Capello nemen in dit artikel vast drie ingrijpende aanpassingen onder de loep.

Verandering 1: begrip ‘inrichting’ vervalt

Het begrip inrichting wordt al bijna 150 jaar gebruikt, maar gaat nu met de Omgevingswet vervallen: inrichting maakt plaats voor de ‘milieubelastende activiteit’. BMD-specialist Bas van Velthoven: “Dat lijkt een kleinigheid, maar het is meer dan het veranderen van een woordje. Tot nu toe werden vergunningen verleend op basis van de totaalgegevens van de hele inrichting: geluidsbelasting, luchtemissie, etc. Straks wordt die milieuvergunning opgeknipt in verschillende vergunningen voor de verschillende milieubelastende activiteiten. Men wil hiermee aansluiten op Europese regelgeving, zoals de Richtlijn industriële emissies. Dat geldt dan weer niet voor de Brzo-bedrijven, daar wordt nog steeds gesproken over ‘inrichting’. Het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) is de Nederlandse vertaling van de Europese Seveso-richtlijn, die wel gehandhaafd blijft. Hierbij wordt juist niet gekeken naar de activiteiten op zich, maar naar de samenhangende activiteiten die onder deze richtlijn vallen.”

Verandering 2: participatie

De Omgevingswet vraagt om participatie. “Dat werkt twee kanten op: bedrijven moeten aangeven hoe partijen betrokken zijn bij uw ontwikkelingsplannen, terwijl de overheid de samenleving moet betrekken bij de ontwikkeling van haar plannen. Dit zou het ook voor bedrijven mogelijk maken om invloed uit te oefenen op het beleid. Het betekent wel dat bedrijven voorafgaand aan de formele indiening van een vergunningaanvraag openheid moet geven over de plannen. Geheimhouding kan dus niet meer. Aan de andere kant biedt vroegtijdige participatie kansen om het draagvlak te vergroten. Dat is positief: hoe groter het draagvlak, hoe minder zienswijzen er ingediend zullen worden”, zegt BMD-collega Marcel Capello.

Verandering 3: andere verdeling geluidsruimte

De regels rondom het bepalen van de akoestische belasting en het verdelen van de akoestische ruimte gaan drastisch op de schop. Bas: “De gemeente gaat straks in het omgevingsplan vastleggen wat de maximale immissie is voor geluid, die door bedrijfsmatige activiteiten op en in ‘gevoelige gebouwen’ zoals woningen mag worden veroorzaakt. De gemeente kan ook afwegen en besluiten dat in een bepaald gebied een hogere of juist lagere geluidsbelasting is toegestaan. Uiteraard moet dit goed onderbouwd zijn en bijvoorbeeld een maatschappelijke of economische meerwaarde bieden.” Deze wijziging maakt het mogelijk de geluidsgebruiksruimte planmatig te verdelen: de gemeente kan per gebied of zelfs per perceel bepalen welke immissie is toegestaan. “Het is een enorm belangrijke ontwikkeling, die bedrijven heel goed in de gaten moeten houden. Er komen straks geluidsproductieplafonds per industrieterrein. Hiermee kan een bedrijf dus ook geluidsruimte kwijtraken”, vult Marcel aan.

Meer informatie

Uw BMD-adviseurs volgen de ontwikkelingen rondom de totstandkoming van de Omgevingswet uiteraard op de voet. Wilt u weten welke consequenties deze nieuwe wet voor uw bedrijfsvoering heeft, of hebt u andere vragen? Neem dan contact op met uw BMD-adviseur of mail naar Marcel Capello of Bas van Velthoven.